De reproduceerbare objectiveerbare bekkenmeting

Een langdurige scheefstand zorgt er voor dat het lichaam gaat compenseren en dit kan op den duur klachten geven. Om een en ander te kunnen interpreteren is het noodzakelijk de stand van het bekken goed te kunnen beschrijven.

Huidige methoden

Het probleem van de huidige meetmethoden is dat er geen zuivere meting gemaakt kan worden.
Er wordt gesproken over een bekken dat iets scheef staat ten nadele van links of rechts al dan niet gepaard met een torsie. Zet echter tien therapeuten achter een cliënt en je zult schrikken van de verschillende interpretaties van de bekkenstand

De reproduceerbare, objectiveerbare methode

Om een meting reproduceerbaar te maken is het noodzakelijk de houding van de cliënt goed te kunnen beschrijven. Er is gekozen voor een apparaat met op de bodem een voetplaat waar de cliënt met schoenen in kan staan (zie afbeelding 1).
afbeelding-1

Afbeelding 1: de driedimensionale bekkenmeter

De cliënt krijgt het verzoek in de grondplaat te staan en contact te maken met de dorsale en laterale zijde van de schoen. Op deze manier is de voetstand reproduceerbaar.
Er is bewust gekozen voor de mogelijkheid van een meting op schoenen, want op deze manier is het eenvoudig de metingen zonder zolen te vergelijken met de metingen op zolen.

In het eerste artikel is beschreven dat het lichaamszwaartepunt tijdens in- en uitademen verplaatst; dit heet oscilleren (zie afbeelding 2). Dit oscilleren maakt het moeilijk zuiver te meten, want in de paar seconden die nodig zijn om de meting te doen, kan er een verschuiving plaatsvinden van enkele centimeters.

afbeelding-2
Afbeelding 2: het oscilleren, links zonder fixatie en rechts met fixatie

Wanneer de cliënt op twee (ook weer meetbare, dus reproduceerbare) ossale punten gefixeerd wordt (afbeelding 3), blijkt het oscilleren beduidend minder te zijn (afbeelding 2 rechts). Er is voor ossale punten gekozen, omdat de cliënt daar het contactpunt het best kan voelen. Er is gekozen voor een punt op het sternum (voor de voorwaartse oscillaties) en een punt aan de laterale zijde van het proximale deel van de tibia (voor de zijwaartse oscillaties).

afbeelding-3
Afbeelding 3: uitgangshouding bij de meting in gefixeerde stand

Het fixeren gebeurt in een ontspannen stand (dat is de stand die de cliënt zelf aanneemt) en de meting duurt ongeveer een halve minuut. Het is niet mogelijk een zuivere bekkenmeting te maken zonder deze fixatie.
De fixatiepunten zijn beschreven qua hoogte, breedte en diepte en worden in de computer opgeslagen. Op deze manier is de houding waarin het bekken wordt reproduceerbaar.

Het bekken

De stand van het bekken wordt vaak gemeten door de hoogte van de cristae iliacae met elkaar te vergelijken, maar op die manier komt er geen informatie vrij over de eventuele torsiestand van het bekken.
De vier referentiepunten die gebruikt worden voor een meting die betrouwbaar is, zijn de
SIPS (Spina Iliaca Posterior Superior) links en rechts en de SIAS (Spina Iliaca Anterior Superior) links en rechts. In veel gevallen zijn dit goed palpabele punten op het bekken en een verbinding van deze punten geeft een goed beeld van de bekkenstand in het frontale en in het sagittale vlak.
Het is essentieel de meting van deze punten volgens een bepaald protocol uit te voeren.

Het protocol

De onderzoeker zit voor de cliënt op een stoel met de ogen op bekkenhoogte en palpeert aan de ventrale zijde van het bekken de beide spinae iliacae anterior superior (zie afbeelding 4, 5 en 6).
De handen zijn geplaatst op de cristae en met de duim palpeert hij van caudaal naar craniaal en laat daarbij regelmatig los om huidopeenhoping te voorkomen.

afbeelding-4
Afbeelding 4: meting van de SIPS en de SIAS

Hij palpeert op deze manier het meest prononcerende deel van de Spina (links zowel als rechts) en markeert deze punten met een stift. Hij laat de cliënt omdraaien en doet hetzelfde met de Spinae Iliaca Posterior Superior.
De handen geplaatst op de cristae en van caudaal naar craniaal het meest prononcerende deel palperen en markeren met een stift.

afbeelding-5
Afbeelding 5: palperen van de SIAS

 

afbeelding-6
Afbeelding 6: palperen van de SIPS

Het apparaat

Het door ons ontwikkelde apparaat is een aangepaste versie van de 3D-meter die verkrijgbaar is bij Fisher. Wij hebben twee van deze apparaten in onze opstelling verwerkt met op de bodem een grondplaat voor de voeten. In het apparaat zijn de nodige ‘digitale linialen’ verwerkt die op de honderdste millimeter nauwkeurig meten.
In deze opstelling zitten tevens de fixatiearmen verwerkt en het geheel heeft wat weg van een kooi, omgeven door meetinstrumenten.

afbeelding-7
Afbeelding 7: de meting

Nadat bij de cliënt de te meten punten (de SIPS en de SIAS) gemarkeerd zijn, neemt hij plaats in het apparaat en worden de fixatiearmen aangebracht en de coördinaten van de fixatiepunten in de computer ingevoerd qua hoogte, breedte en diepte (afbeelding 7). Vervolgens worden de vier markeringspunten via de digitale voelers gemeten en opgeslagen.

De computer verwerkt deze vier markeringspunten tot twee diagrammen, zodat een duidelijk beeld ontstaat van de bekkenstand in het sagittale en in het frontale vlak.

Interpretatie van deze bekkenmeting met de daarbij behorende houding heeft toegevoegde waarde bij het opstellen van een behandelplan.

afbeelding-8

Afbeelding 8:
De normale houding.
Het linkerdiagram geeft een bovenaanzicht van het bekken; geen torsie waarneembaar.
Het rechterdiagram geeft een achteraanzicht; geen zijwaartse scheefstand.

 

 

afbeelding-9
Afbeelding 9:
Een bekkenscheefstand ten nadele van links (zie het rechterdiagram).
Er is geen compensatoire torsie waarneembaar (zie het linkerdiagram).

 

 

afbeelding-10
Afbeelding 10:
Een bekkenscheefstand ten nadele van links gepaard gaande met een (compensatoire) torsie van het bekken, rechts naar voren.

 

 

afbeelding-11
Afbeelding 11:
De bekkenscheefstand is opgeheven (vergelijk het rechterdiagram met die van afbeelding 9 en 10).
De compensatoire torsie is echter nog aanwezig (vergelijk het linkerdiagram met die van afbeelding 9).

Tot slot

Ter afsluiting van deze artikelen de laatste foto (afbeelding 12)

afbeelding-12
Afbeelding 12: valgusstand rechts

Wanneer een cliënt met deze voetstand door de podoloog gecorrigeerd wordt is het onmogelijk de voetstand te corrigeren zonder daarbij het bekken en de rest van de houding te betrekken.

De valgusstand van de rechterenkel kan, vanwege de daaruit volgende endorotatie van het been, een torsie van het bekken rechts naar voren geven en een laagstand van het bekken ten nadele van rechts. Verbeteren van deze voetstand leidt dan automatisch tot een verbetering van de bekkenstand.

Echter…
Het kom heel vaak voor dat deze enkelstand ingenomen wordt als compensatie op een bekkenscheefstand te nadele van links.

Correctie van deze enkelstand geeft in dat geval een verslechtering van de bekkenstand en daar is de cliënt niet mee geholpen.

Mijn rugpijn wortelde in mijn voet

„Mijn rugpijn wortelde in mijn voet!”

Journalist Toine de Graaf (38) liep al jaren rond met knie- en rugpijn. Uiteindelijk heeft hij de stap genomen om naar een podo-posturaal-therapeut te gaan. Deze pakt knie-, rug- of nekklachten aan met inlegzolen, die de lichaamshouding moeten verbeteren. Over zijn ervaring schreef Toine dit verslag.

‘Een betere houding door corrigerende zolen,’ meldt de folder van Podocentrum Alkmaar. Hierdoor aangemoedigd betreed ik de spreekkamer van podo-posturaal-therapeut Martin Koelman . Als ik goed en wel zit, zet hij me meteen met beide voeten op de grond. Niet letterlijk, maar figuurlijk. „Mensen komen hier met allerlei verhalen,” vertelt hij. „Zo van: ‘Mijn buurvrouw had tien jaar rugpijn, ze kreeg nieuwe zolen en was van haar klachten af.’ Maar zo werkt het niet. Ten eerste is het afwachten of ik wat zie aan je houding. En als ik iets zie en ik maak daarvoor zolen, is het nog maar de vraag of het gaat werken. Wat ik doe, is de logica zoeken tussen houding en klacht. En is die logica niet aanwezig, dan zijn we snel klaar.”

Eerst naar de houding kijken

„Zo meteen mag je in je onderbroek gaan staan,” vervolgt Martin zijn uitleg. „Dan kijk ik naar de stand van je voeten, enkels, knieën, heupen, bekken, wervelkolom, nek en schouders. Als ik vind dat alles rechtstaat, kan ik niks voor je doen. Als ik een bepaalde scheefstand constateer die te maken kan hebben met je klachtenpatroon, dan corrigeer ik die scheefstand. Daarbij hoop ik dat naarmate je rechter komt te staan, er minder klachten optreden. Dat doe ik door middel van ‘neuroreflectoire’ of ‘proprioceptieve’ zolen. Dit zijn zolen waarop millimeterdunne stukjes kurk zijn verwerkt. Daarmee probeer ik via de voet je houding te corrigeren. Ik lijn het lichaam als het ware uit.”

Martin legt uit dat er een verschil is met podotherapeutische en podologische zolen. „Onze zolen zijn over het algemeen dunner. Podo-posturaal-therapeuten maken vooral gebruik van spierprikkels en werken minder ‘mechanisch’. Een prikkeling van een spier veroorzaakt een aanspanning. Deze verandert de totale houdingsspierketen. Een prikkeling van een pees zorgt ervoor dat de spier ontspant. De ‘zenuwapparaatjes’ in spieren en pezen krijgen daardoor informatie en zullen de spier anders laten aanspannen. En dat is dus iets anders dan een mechanische verhoging aanmeten om iemand passief recht te zetten.”

Ene been korter dan het andere

Het is tijd voor een inleidend gesprek over de klachten. Ik vertel waarvoor ik kom: pijn aan mijn linkerknie en lage rugklachten. Martin vraagt uitgebreid door. Hoe lang bestaan de klachten? Wanneer treden ze vooral op? En waar zijn ze precies te lokaliseren?

Mijn knieklachten bestaan sinds een verkeersongeval uit 1991. Bij dit ongeluk liep ik onder andere een gecompliceerde beenbreuk op aan mijn linkeronderbeen. Het uiteindelijke resultaat: een standsafwijking van mijn linkerenkel, waardoor mijn voet wat naar binnen staat, en een beenlengteverschil. De pijn zit linksvoor aan mijn knie. De lage rugklachten bevinden zich in het midden van mijn rug. Deze klachten lijken vooral op te spelen wanneer ik vermoeid ben.

Na dit gesprek verdwijn ik achter het kamerscherm. Daarna bekijkt Martin mijn lichaam uitvoerig van vier kanten: achterkant, zijkanten en voorkant. Hij constateert, zoals te verwachten, een ‘valgusstand’ van mijn linkerenkel. Mijn bekken staat daardoor links wat lager dan rechts. Deze scheefstand lijk ik te compenseren in mijn linkerschouder, die wat hoger staat dan mijn rechterschouder. De hogere linkerschouder veroorzaakt weer een scheefstand van mijn nek. Naast deze zijwaartse kromming ziet hij ook nog een voor-achterwaartse kromming van mijn wervelkolom (bolle bovenrug), die waarschijnlijk deels het gevolg is van een verkeerde werkhouding.

Na het onderzoek gunt Martin me een eerste blik op zijn strategie. „Je rechterbeen kunnen we niet korter maken, maar je linkerbeen wel langer. Ik wil je dwingen meer op de buitenkant van je linkervoet te gaan lopen en te staan. Daardoor wordt je linkerbeen langer. Dit kan waarschijnlijk met behulp van een proprioceptieve zool. Maar het kan ook zijn dat de standsafwijking zo groot is, dat ik het op die manier niet red. Dan moet ik de zool verhogen.”

Flinterdunne stukjes kurk

Na dit gesprek en onderzoek volgt het spannendste onderdeel van de hele sessie. Uit de praktijkfolder weet ik wat me te wachten staat. Martin zal millimeterdunne stukjes kurk onder mijn voetzolen aanbrengen, terwijl ik op een voetspiegel (‘podoscoop’) sta. ‘Deze kurkelementjes’, zo leert de folder, ‘hebben een vrijwel onmiddellijke inwerking op de voet- en houdingsspieren, waardoor de lichaamshouding direct verandert.’

Voordat hij het eerste elementje onder mijn voet schuift, ontvouwt Martin zijn gedachtegang: „Ik ga je proberen in balans te zetten. Ik wil je linkerenkel corrigeren, in de hoop dat daardoor je bekken gecorrigeerd wordt en daarmee ook je wervelkolom en je nek.”

Zonder kurkelementjes kan ik mijn nek minder ver naar links draaien dan naar rechts. Als Martin een stukje kurk met een dikte van twee millimeter onder het achterste deel van mijn linkervoet schuift, is deze bewegingsbeperking grotendeels opgeheven. Met een stukje van vier millimeter kan mijn nek nog verder naar links. De huisfolder heeft niets te veel beloofd.

Wanneer de millimeterdunne elementjes weer worden weggehaald, voelt het alsof ik in een groot gat stap. „Voor mij is het één brok logica: je bewegingsbeperkingen, je houding en je voorgeschiedenis,” zegt Martin. „Het enige wat ik doe, is kijken naar de logica.”

Anders misschien een hernia

Van de podoscoop kan ik in één keer doorlopen naar de podograaf, voor het maken van twee afdrukken (‘blauwdrukken’) van mijn voetzolen. In de slijpruimte vertelt Martin dat hij kiest voor een opbouwsysteem. „Door een kurkelement van twee millimeter verbetert de rotatie van je nek. Bij vier millimeter kom je nog verder. Maar een stap van nul naar vier millimeter vind ik te groot. Je kunt dan enorm veel spierpijn krijgen. Met een verhoging van twee millimeter is je bekken redelijk gecorrigeerd. En dit geldt ook voor je schouder. Ik ga nu zooltjes maken waar je een paar maanden op gaat lopen. Voor de linkerzool ga ik uit van een verhoging van twee millimeter. Daar moet je geen wonderen van verwachten. Dat zooltje moet je zien als eerste stap op weg naar het zooltje dat bij je hoort. Ook met dit zooltje kun je spierpijn verwachten. Als ik je kan uitstrekken en de zijwaarts-kromming kan weghalen, bereiken we ons doel. Ik doe dat in eerste instantie niet passief, maar prikkelend. Ik laat je lichaam er zelf mee aan de gang gaan.”

Terwijl Martin zijn voorbereidingen treft, raap ik de moed bij elkaar om te vragen welk toekomstbeeld me nu bespaard blijft. „Dat is moeilijk te zeggen,” luidt zijn antwoord. „Maar door deze behandeling probeer ik ergere rugpijn of zelfs een hernia op latere leeftijd te voorkomen. Daarnaast verwacht ik dat je na verloop van tijd meer energie zult overhouden voor andere dingen, omdat je minder energie nodig zult hebben om de scheefstand te compenseren.”

Twee halve zolen

Op de blauwdrukken tekent Martin de elementen af, waarna hij aan de slag gaat met kurk en lijm. En niet te vergeten: de slijpmachine. „Dit zijn redelijk eenvoudige zooltjes om te maken. Ik probeer via een verhoging onder de voorvoet onder andere het bekken te kantelen, zodat je je uitstrekt. Ik doe er een extra verhoging bij aan de binnenkant, om je enkel te corrigeren. En omdat je bekken links duidelijk lager staat, doe ik twee millimeter onder de hiel.”

Een kwartier later krijg ik twee dunne, halve zolen aangereikt. „Alsjeblieft. Ik maak de eerste keer nooit hele zolen. De rand aan de voorkant heeft namelijk een functie: daarmee prikkel ik. Een ander voordeel is dat een halve zool in praktisch elke schoen past. Draag ze altijd in schoenen met een vlakke binnenzool. Als je dit soort millimeterdunne zooltjes in schoenen met een voetbed stopt, hebben ze minder en misschien zelfs wel een tegengesteld effect.”

Het resultaat bij Toine: „Ik heb geen rugpijn meer”

Toine de Graaf: „De eerste weken op ‘proprioceptieve’ zolen zijn me erg meegevallen. Alleen als ik langer dan een half uur had gelopen, voelde ik spierpijn. Mijn oorspronkelijke klachten zijn snel verminderd. De pijn in mijn knie speelt nu alleen nog op als ik eens een keer níet op de zolen heb gelopen. Van lage rugklachten heb ik geen last meer gehad.

Na zo’n drie maanden vond het eerste controle-consult plaats. Hierbij constateerde podo-posturaal-therapeut Martin Koelman dat de zolen werken. Bij het onderzoek op blote voeten bleek dat mijn lichaamshouding is verbeterd. Om dit door te zetten, heeft Martin nieuwe zolen voor me gemaakt met een extra verhoging.”

Podo-posturaal-therapie corrigeert de houding met inlegzolen

Podo-posturaal-therapie is een houdingscorrigerende therapie door middel van inlegzolen. De podo-posturaal-therapeut lijkt misschien een nieuwkomer op de zolenmarkt, maar er is alleen sprake van een nieuwe beroepstitel. Podo-kinesiologen en -orthesiologen noemen zich na een fusie van hun beroepsverenigingen voortaan podo-posturaal-therapeuten.

 

Knutselen met kurk als behandeling voor chronische klachten

Na de lezing van drs. Jansen vertelde podoposturaal therapeut Martin Koelman hoe zooltjes met millimeter dunne laagjes kurk kunnen helpen bij het verbeteren van de gehele lichaamshouding en daardoor chronische klachten verhelpen.

In 1983 was hij net afgestudeerd als fysiotherapeut toen er in een aflevering van TROS Aktua aandacht werd besteed aan de praktijk van Aad Boogaard in Alkmaar. Met behulp van speciale zooltjes kon hij mensen van hun ch ronische klachten af helpen. Met de gedachte dat hij een paar maanden met kurk zou gaan knutselen om daarna een echte baan als fysiotherapeut te gaan zoeken, solliciteerde hij bij Podocentrum Alkmaar. Ruim dertig jaar later is de praktijk van hem en ‘knutselt’ hij nog steeds met kurk.

De patiënten van een podoposturaal therapeut kun je verdelen in drie groepen:

1. Mensen bij wie de zooltjes geen effecthebben of meer klachten veroorzaken.
2. Mensen bij wie de zooltjes effect hebben en die na verloop van tijd weer zonder zooltjes kunnen.
3. Mensen bij wie de zooltjes effect hebben en die niet meer zonder kunnen.

Er zijn twee soorten zolen: podologische zolen en podoposturale zolen.

Podologische zolen

Een podoloog maakt podologische zolen. Deze zolen richten zich over het algemeen op voetproblemen; een podoloog kijkt vooral naar de stand van de voet en enkel en minder naar de stand van het lichaam. Podologische zolen zijn vaak drukontlastende zolen, bijvoorbeeld om een bepaald pijnpunt te ontlasten.

Voor het maken van deze zolen wordt een scan van de voet gemaakt. Deze wordt digitaal verwerkt, waarna eventuele aanpassingen worden gedaan aan de zool. Vervolgens wordt de zool gemaakt met een computergestuurde freesmachine. Hiervoor kunnen materialen met verschillende hardheden worden gebruikt, afhankelijk van de aandoening en de situatie van de patiënt.

Podoposturale zolen

Een podoposturaal therapeut zoekt naar de logica tussen de lichaamshouding van de patiënt en de klacht(en) die hij heeft. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de plek waar de klacht zich manifesteert, zoals bijvoorbeeld de heup, maar altijd naar het hele lichaam. Klachten van de heup kunnen namelijk komen door een bekkenscheefstand, maar een probleem met de heup kan ook een bekkenscheefstand veroorzaken. Daarom is het altijd belangrijk om te kijken naar de samenhang van de klachten en de lichaamshouding. Op het moment dat de afwijking is gevonden, kun je de houding gaan verbeteren in de hoop dat de klacht vermindert.

Dr. Bourdiol, de grondlegger van de podoposturale therapie, was van mening dat een afwijkende stand van de voet invloed heeft op het hele lichaam. Immers: alles zit aan elkaar vast en als de voet niet goed staat, dan staat ook het onderbeen niet goed, net als de knie en de heup. Daar op volgend heeft ook het bekken een afwijkende stand en staan de wervelkolom en nek niet zoals het hoort. Andersom kan een afwijkende stand van bijvoorbeeld de heup er ook voor zorgen dat de knie en de voet niet goed staan.

Vooralsnog is podoposturale therapie niet evidence based: er is nog geen wetenschappelijk bewijs dat zooltjes met 2 millimeter kurk werken. Hier wordt aan gewerkt, maar vooralsnog is de therapie dus practice based: men ziet in de praktijk dat het werkt.

Drie voetsoorten

Bourdiol maakt onderscheid tussen drie soorten voeten: de normale voet, de platvoet en de holvoet. Daartussen zijn er allerhande gradaties.

Bij een normale voet is de voetboog normaal waardoor de botjes in de voet goed gepositioneerd staan in de enkel. De binnenkant van de enkel staat daardoor gelijk aan de binnenrand van de voet, de buitenkant van de enkel staat gelijk aan de buitenrand van de voet. Het onderbeen staat iets naar voren, de kuitspier is iets aangespannen en om te voorkomen dat je voorover valt, staat de knie licht gebogen.

Daardoor staat het bovenbeen weer iets naar achteren. De heup staat in een normale positie. De stand van het bovenbeen zou maken dat je achterover valt als het bekken dit niet compenseert. Daarom staat dit licht naar voren gekanteld. Om vervolgens te zorgen dat het bovenlichaam niet naar voren valt, zijn er drie krommingen in de wervelkolom: de lumbale lordose (de kromming van de wervelkolom in de lage rug), de thoracale kyfose (de kromming van de wervelkolom in de bovenrug) en de cervicale lordose (de kromming van de wervelkolom in de nek). Door de verschillende krommingen heeft het lichaam weinig spieractiviteit nodig om stabiel te staan.

Bij een platvoet is er sprake van slappe (hypotone) spieren. Hierdoor zakt de voetboog in waardoor het onderbeen met de voet mee naar binnen draait (endorotatie). Als gevolg hiervan draaien ook knie en bovenbeen naar binnen waardoor de heupkop naar achter draait. Het bekken kantelt voorover, maar door de slappe spieren is de onderrug plat: de spieren kunnen de normale houding niet handhaven. Door de hypotone spieren neemt het hele lichaam een hangende houding, de scapulum posterior houding, aan.

In plaats van een passieve ondersteuning met behulp van een steunzool die de voet alleen maar nog luier maakt, zegt dr. Bourdiol dat de spieren in de voet geprikkeld moeten worden om ze sterker te maken. Hierdoor zal de stand van de voet normaler worden, waardoor de houding verbeterd.

Het tegenovergestelde van de platvoet is de holvoet. In plaats van slappe (hypotone) spieren is er sprake van (te) krachtige (hypertone) spieren. De voetboog wordt daardoor opgetrokken, waardoor het hielbeen verticaler komt te staan. Daardoor wordt de voet naar buiten getrokken en draait het onderbeen naar buiten. Ook de knieën draaien naar buiten en het bovenbeen volgt hierin. De heupkop draait hierdoor naar voren.

Mensen met een holvoet staan met gebogen knieën omdat zowel de kuitspieren als de hamstrings zo strak staan dat het been niet meer kan worden gestrekt. Ook de rugspieren zijn hypertoon, waardoor de onderrug hol trekt. Als gevolg daarvan wordt het bekken naar voren getrokken. De houding van iemand met een holvoet is te omschrijven als een strakke, militaristische houding.

Daar waar mensen met een platvoet een zooltje krijgen om de voetspieren te laten aanspannen, wordt voor mensen met een holvoet een zooltje gemaakt dat de voetspier laat ontspannen. Aan het eind van de voetspier zit een peesje en door dit met een scherpe rand te prikkelen, krijgt de voetspier de informatie dat het peesje afscheurt. Hier zal hij zich tegen willen verdedigen en dit doet hij door te ontspannen. Hierdoor wordt de voet minder hol en neemt de spierspanning af, niet alleen in de voet maar in het hele lichaam.

Bovenstaande standen zijn gebaseerd op een symmetrische lichaamshouding. De meeste mensen zijn echter niet symmetrisch. Zo komt het ook voor dat er een combinatie is van een holvoet links en een platvoet rechts.

Beoordeling van de lichaamshouding

Bij de beoordeling van de houding wordt naar een aantal lijnen van het lichaam gekeken. De tepellijn moet horizontaal zijn, net als de schouderlijn. De luchtfiguren (de ruimte tussen de armen en de romp) links en rechts moeten min of meer symmetrisch zijn. Een loodlijn vanaf het oor moet recht over de schouder, over de heup, over de knie en midden tussen de voeten te vallen. Bij het kijken naar de lichaamshouding moet altijd rekening worden gehouden met het feit dat niemand volledig recht staat omdat er altijd sprake is van een dominantie van de ene of de andere lichaamszijde.

Bij een normale, symmetrische houding staan de enkels recht, de knieën staan symmetrisch, de heupen staan op een lijn en de wervelkolom staat recht. Het lichaamszwaartepunt bevindt zich middenin de buik, ter hoogte van de wervels L3-L4 (ongeveer ter hoogte van de bovenrand van het bekken). In de normale houding valt een loodlijn vanuit het lichaamszwaartepunt midden tussen je voeten.

Bekkenmeting

Bekkenmetingen moeten altijd zowel aan de voorkant als aan de achterkant worden gedaan. Hierdoor krijg je niet alleen zicht op een eventuele bekkenscheefstand, maar kun je ook zien of er sprake is van een bekkentorsie. Hierbij kan sprake zijn van een kanteling van het bekken (naar voren) of een draaiing van het bekken waarbij de ene bekkenhelft naar voren gedraaid staat ten opzichte van de andere. Hiervoor wordt een viertal referentiepunten gebruikt: de SIAS (spina iliaca anterior superior) aan de voorkant en de SIPS (spina iliaca posterior superior) aan de achterkant.

Bekkenscheefstand

De meeste mensen hebben een bekkenscheefstand. Hierdoor ontstaat er een asymmetrische houding waarbij het lichaamszwaartepunt verschuift en naast de steunpunten valt. Om te voorkomen dat je omvalt, moet je dit zwaartepunt weer op zijn plek krijgen. Hiervoor is een aantal mogelijkheden:

  • Het optrekken van de schouder waardoor de wervelkolom een bocht opzij maakt (scoliose). De luchtfiguren zijn asymmetrisch. Deze houding veroorzaakt verwringing in het bekken met als gevolg klachten van de heupen en lage rugpijn.
  • Het buigen van de knie aan de kant waar het bekken te hoog staat. Hierdoor ontstaat een scheefstand onder het bekken, maar het bekken en de wervelkolom staan recht. Ongemerkt kiezen de meeste mensen voor deze compensatoire houding.

Iemand die jarenlang compensatoir staat, zal hier op den duur klachten van krijgen. Immers: door het buigen van een knie draait het been naar binnen, maar om het andere been langer te maken zal dit naar buiten draaien. Hierdoor ontstaat aan de ene kant van het lichaam een ‘holvoethouding’ en aan de andere kant een ‘platvoethouding’.

Tussen de twee bekkenhelften zit het heiligbeen, dat met de SI-gewrichten links en rechts vastzit aan de bekkenhelften. Bij een compensatoire houding komt dit in de verdrukking waardoor a-specifieke lage rugklachten ontstaan die vanuit de podoposturale therapie zijn te verklaren.

Voorkomende klachten die worden veroorzaakt door een bekkenscheefstand zijn:

  • klachten van de heup / lies
  • knieklachten
  • slijmbeursontsteking bij de heup
  • Bakerse cyste in de knieholte
  • hielspoor
  • peesplaatontsteking in de voet
  • enkelklachten

In de meeste gevallen ontstaan klachten aan de lage kant van het bekken. Door mensen op een andere manier te positioneren met behulp van zooltjes kan de houding worden verbeterd en nemen in veel gevallen de klachten af.

Het is bij mensen die jarenlang scheef hebben gestaan van groot belang om de rug niet over het hoofd te zien. Door de langdurige scheve belasting van de wervelkolom kunnen zenuwen bekneld raken die dan uitstralende pijn naar bijvoorbeeld de heup veroorzaken. Het is dus ook belangrijk om te controleren of de pijn volledig is te wijten aan bijvoorbeeld de bekkenscheefstand of dat er daarnaast sprake is van een zenuwbeknelling in de rug. Hier kan dan bij het corrigeren van de houding rekening mee worden gehouden.

Geduld is een schone zaak

Met de zooltjes kun je dus verschillende houdingsafwijkingen corrigeren, al dan niet gecombineerd. Het is van groot belang om hierbij niet te hard van stapel te lopen en de correctie(s) in kleine stapjes tegelijk te doen. Doordat met de zooltjes de spieren aan het werk worden gezet en de al jarenlang verkeerde houding langzaam verandert naar de juiste houding, kan dit in de eerste maand spierpijn in verschillende delen van het lichaam veroorzaken. Zou je in een keer een grote verandering in de houding teweegbrengen, dan is het heel lastig om vol te houden. Podoposturale therapie is een behandelvorm die geduld vergt van jou als patiënt. De periode tussen de verschillende stappen is meestal een paar maanden. Soms is het nodig om een stapje terug te doen, een andere keer kan het opbouwen wat sneller gaan. Bij de een is op een gegeven moment het eindstation bereikt en hoeven de zolen niet meer te worden aangepast. Bij de ander blijft het af en toe nodig om hier en daar een aanpassing te doen. Om te kijken of de zooltjes werken en of iemand er iets aan heeft, wordt altijd geadviseerd om ze ook regelmatig uit te doen om te kijken of ze worden gemist.

Om de overgang tussen de verschillende stappen makkelijker te laten verlopen, maakt de heer Koelman tegenwoordig twee paar zolen. Daardoor kan de patiënt de zolen van stap 1 en stap 2 afwisselen om het gebruik van de nieuwe zolen langzaam op te bouwen tot deze volledig kunnen worden gebruikt. Op dat moment kunnen de zolen van stap 1 worden aangepast naar zolen voor stap 3 en begint het afwisselen weer opnieuw. Bij het behandelen met zooltjes is het altijd zoeken naar de gulden middenweg tussen de houding waar de klachten door veroorzaakt worden en een anatomisch rechte houding. Die laatste is het einddoel van de behandeling, maar is niet in één keer te bereiken. Bovendien kan het zo zijn dat de patiënt de anatomisch rechte houding helemaal niet prettig vindt en dat met een net niet perfecte houding de klachten over zijn. Daarom moet er altijd worden gezocht naar wat wel en niet werkt voor de individuele patiënt.

Dr. Bourdiol gaf oorspronkelijk aan dat verhoging nooit hoger mag zijn dan 3 millimeter. De heer Koelman is van mening dat het belangrijker is om te kijken naar wat werkt voor de patiënt. Er wordt altijd gekeken of het mogelijk is om een zooltje te maken dat in de schoen past, maar soms is er meer verhoging nodig dan dat er in de schoen past. Dit moet dan onder de schoen worden gemaakt. Doordat de heer Koelman van huis uit fysiotherapeut is, kan hij naast het aanmeten van de zolen ook houdingverbeterende oefeningen meegeven om de werking van de zolen te versterken. Daarnaast werkt hij samen met diverse andere disciplines, zoals een oefentherapeut Mensendieck, manueel fysiotherapeuten en een osteopaat. Hierdoor kan op diverse manieren worden ingespeeld op de behoeften van de individuele patiënt om het corrigerend vermogen van het lichaam aan te spreken.

Op de website van de Stichting Loop www.loop.nl kun je een podoposturaal therapeut bij jou in de buurt zoeken. In een kolom naast de kaart wordt per beroepsgroep aangegeven welke therapeuten er in jouw regio zijn. Bij inzoomen op de kaart verschijnen ook de logo’s van de verschillende beroepsgroepen.

Op de website van Podocentrum Alkmaar, www.podoalkmaar.nl, vind je diverse video’s met uitleg over podoposturale therapie en een aantal publicaties van Martin Koelman. Wil je meer weten over het hoe en waarom van deze behandelmethode dan zijn deze zeker de moeite van het lezen waard.

 

Het effect van podoposturale zooltherapie

Hoewel podoposturale therapie (PPT) practice based verdedigbaar is, zijn er niet eerder studies gedaan waarbij deze therapie evidence based kon worden gemaakt. Juist daarom is het belangrijk dat er nu een initiatief is opgestart waarbij dit wel kan worden aangetoond.

Het effect van podoposturale zooltherapie

Wetenschappelijk onderzoek naar bekkenscheefstand en podoposturale therapie

Martin Koelman, podoposturaal therapeut en eigenaar van Podocentrum Alkmaar, is binnen Stichting LOOP initiatiefnemer van het wetenschappelijk onderzoek naar podoposturale therapie: “De podoposturale therapie wil graag een wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van de podoposturale therapie op de bekkenscheefstand. De ervaring leert dat deze therapie positieve effecten sorteert, maar we willen dat ook met voldoende relevant en objectief bewijs kunnen staven.” Vorig jaar startte Wai-Yan Liu, Movement Scientist bij CIRO+, in opdracht van Stichting LOOP en in samenwerking met Assistant Professor of Human Movement Sciences aan de Maastricht University, Kenneth Meijer, een literatuurstudie naar het verband tussen lage rugpijn en een bekkenscheefstand en naar het effect van zooltherapie op deze afwijkingen. De resultaten van de literatuurstudie, zoals in februari gepresenteerd aan orthopedisch specialisten van het Medisch Centrum Alkmaar (MCA) en de VU University Amsterdam, laten ruimte voor verder onderzoek naar het effect van de zooltherapie op lage rugpijn bij een bekkenscheefstand, en de relatie tussen een scheefstand van het bekken en de lage rugpijn, in samenwerking tussen Stichting LOOP en specialisten.

Onderzoek

“Onderzoek naar de oorzaak van pijnklachten in de lage rug, is een studie op zich. Zeker wanneer het de patiëntengroep betreft die in aanmerking zou komen voor deelname aan de studie die Stichting LOOP beoogt.”

Aan het woord is dr. Winand Pluymakers, orthopedisch chirurg verbonden aan het MCA. Hij is gespecialiseerd in onder meer de voet en de enkel. Hij vervolgt: “Psychosociale factoren spelen vaak een belangrijke rol bij deze groep. Zelfs een klinisch onderzoek aangevuld met medische beeldvorming geeft niet altijd voldoende handvatten voor het stellen van een goede diagnose en bijbehorende therapie.” Het onderzoek naar het effect van de podoposturale zooltherapie gaat daarom uit van de plausibele hypothese dat de lage rugpijn bij een bekkenscheefstand, al dan niet gepaard gaande met een torsie, aan de hoge kant van het bekken veroorzaakt kan worden door facetartrose en aan de lage kant door een hernia. Deze bekkenscheefstand kan een compensatoire torsie veroorzaken met een totale longitudinale verwringing van het sacrum. Deze verwringing geeft vaak SI problemen.

Start onderzoek

Martin is voor de opzet van het onderzoek een samenwerking aangegaan met dr. Adrie Apeldoorn. Adrie is manueel therapeut, epidemioloog en in 2012 gepromoveerd op onderzoek naar subgroepen bij lage rugklachten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Adrie heeft geadviseerd in de opzet van het onderzoek, de in- en exclusie criteria voor patiënten, de selectie van vragenlijsten en de wijze waarop patiëntgegevens geregistreerd kunnen worden. In eerste instantie zal een kleine groep van ongeveer veertig patiënten deelnemen aan een vooronderzoek, waarbij de therapie wordt toegepast en het gehele traject gedocumenteerd wordt om het wetenschappelijk onderzoek vorm te geven.

Verwachtingen

Martin Koelman heeft positieve verwachtingen ten aanzien van het onderzoek. “Het is allereerst een wetenschappelijk en onafhankelijk onderzoek. Het resultaat is dan ook objectief. Dat is positief voor bijvoorbeeld patiënten, zeker ook voor de zorgverleners, maar ook voor de zorg als geheel. Met mijn jarenlange ervaring in deze therapie, heb ik er alle vertrouwen in dat de uitkomst van dit onderzoek onze branche nog sterker gaat maken.”